Ik maak dus ik ben #1

Onlangs deelde ik de volgende uitspraak van Merlijn van Twaalfhoven:

‘Onze wereld is ingericht op duidelijke keuzes. Je kiest een opleiding, een baan, of vraagstuk om je op te richten. Wat doe je? vragen mensen op een feestje. Zaak is dan om iets te antwoorden dat helder is. Een afbakening van jouw plek, jouw taak. Ik heb daar moeite mee. Wat ik doe is telkens anders. Het volgt uit de ideeën die ik heb, en die ideeën ontstaan uit wat ik zie, voel, lees en hoor – dat verandert dus continu.’

Dank je Merlijn, nu weet ik ook wat ik kan antwoorden op feestjes :). Deze gedachte geeft ook een goede basis als het gaat om de diversiteit van wat ik maak (zie voor een overzicht hiervan ‘Ik maak dus ik ben #2).

In dit blog wil ik wat ik tot nu toe gemaakt heb bij elkaar zetten en proberen uit een te zetten hoe het één met het ander is verbonden. Ik wil graag voor mijzelf een overzicht, aan de andere kant geeft dit portfolio een beeld van wat ik maak en belangrijk vindt en hoe ik daar vorm aan geef. In ‘Ik maak dus ik ben #2’, vind je een overzicht van de linkjes waar mijn portfolio nu uit bestaat.

Wat ben ik nu oa in het onderwijs aan het doen?

In mijn werk als docent probeer ik bij te dragen aan het volgende: dat mensen beter in staat zijn om zo naar zichzelf en de wereld te kijken, met een eigen blik. Dit geldt wat mij betreft voor iedereen die met educatie bezig is, dus studenten, docenten en alle andere medewerkers van een onderwijsinstelling.

Voor het Design Team om een nieuwe school voor niveau 1&2 voor het RijnIJssel college te ontwerpen, schreef ik het volgende stuk over mijn visie op het pedagogische klimaat:

‘In 1961 liet Freire de wereld zien wat er gebeurt als je het verschil erkent in kennis en ervaring. Zijn succesvolle alfabetiseringsprogramma* voor landarbeiders begon met een spel waarin beide partijen elkaar vragen stelden waarvan zij vermoedden dat de ander er geen antwoord op had. Freire vroeg bijvoorbeeld of de landarbeiders wisten wie Plato was (dit wisten zij niet, waarom ook?), op hun beurt bevroegen zij Freire over zijn kennis over landbouw, waar hij niets van wist. Hiermee werd direct voor alle betrokkenen duidelijk dat het verschil in kennis niet te maken had met de mate van je intelligentie, maar dat kennis wordt gevormd door de omgeving waarin jij je bevindt. 

In het verlengde hiervan verklaarde educator en activist Myles Horton: ‘Mijn expertise is de kennis dat ik geen expert ben’. Hij wilde zijn studenten niet allerhande dingen vertellen die zij niet wisten, maar hij zag het als zijn taak om studenten te helpen hun eigen kennis en expertise te ontdekken en ontwikkelen. De studenten simpelweg voorzien van ‘informatie’ is betuttelend en creëert een patroon van afhankelijkheid, aldus Horton.

In deze geschiedenis ligt de inspiratie verscholen van het pedagogische klimaat voor DeNieuweSchool. 

DNS wil een klimaat scheppen waarin de student de regie voert over de ontwikkeling van zijn/haar eigen expertise. Centraal staat de vraag: ‘Wat heb ik nodig om mee te doen en hoe kan ik dat ontwikkelen/creëren/vormgeven’.

In deze ontwikkeling speelt het collectief rondom de student een grote rol. Maar ook de maatschappij waar de student en zijn/haar omringende collectief in verkeert. Dit collectief bestaat uit de loopbaancoach van DNS, maar ook familie, vrienden, stagebegeleiders en andere mogelijke hulpverleners/netwerk. Aangezien de student de regie voert, borgen we op deze manier onze visie dat er mét de student en niet óver de student gepraat wordt. Tevens wordt in dit model direct voor alle betrokken partijen duidelijk wat de waarde en belang is van communicatie en kan dit zowel geoefend als voorgeleefd worden.

In de focusfase (=eerste fase, zie verder: ‘didactisch klimaat’) staat persoonlijke ontwikkeling centraal. In deze fase van het traject in DNS wordt verder verkend wie bij het collectief rondom de student hoort, welke expert de student wil worden en welke leervraag hierbij hoort. Om dit te onderzoeken wordt de student uitgedaagd om zoveel mogelijk zelf te creëren, waarbij wordt samengewerkt met het collectief en de clusters. In dit creatieproces wordt geoefend, geëxperimenteerd en wordt beleefd dat fouten maken niet bestaat. 

Zo wordt op vanzelfsprekende wijze verschillende aspecten van samenwerken ‘de coöperatie’, geoefend en ontwikkeld.

Universele kwaliteiten die in (de) relatie en samenhang met elkaar ontwikkeld worden, komen samen in de vier C’s:

  • Communicatie.
  • (Co)Creatie
  • Coöperatie
  • Collectieve relatie

Deze kwaliteiten worden in het ‘klein’ geoefend in het collectief, dat per fase kan veranderen. Zo wordt ook aan flexibiliteit en veerkracht van de student ontwikkeld.’

Ik ben van mening dat het voor iedereen en in elke fase van je leven belangrijk is om je zelf met enige regelmaat af te vragen wat belangrijk voor je is en of je jezelf al dan niet met hulp van anderen wil ‘educaten’. Zeker nu, in een tijd waarin eindelijk oude normen en waarden doorbroken worden en andere verhalen en perspectieven een werkelijk serieus podium krijgen. Hiervan uit ontstaan nu ook gerichte acties om onze samenleving inclusiever en gelijkwaardiger te maken. Aan de andere kant, veranderingen in de samenleving is iets van alle tijden. Het wordt dus hoog tijd om in het onderwijs hier aandacht voor te hebben, over hoe je hier mee om kan gaan. Zo bereik je ook sneller dat er een breder besef is van actueel maatschappelijke ontwikkelingen en dat het niet decennia hoeft te duren voordat mensen die buiten de ‘norm’ vallen ook volledig kunnen emanciperen.

Ik wil daarom dit blog afsluiten met de Amerikaanse pedagoog en filosoof John Dewey (1859-1952), die in 1893 (al) zei: ‘Beschouw onderwijs niet langer als een voorbereiding op een later leven, maar als datgene wat het huidige leven zijn volledige betekenis geeft.’

« »

© 2021 . Thema door Anders Norén.